GERRIT KLAZES KRAMER


Een familie van kooplieden, Eerste huwelijk, Kinderen uit het eerste huwelijk, Winkel in Bolsward, Tweede huwelijk, Naar Longerhouw, Lonjé, Het Dagboek, Terug naar Bolsward, Relaties met familie Huitema.


GERRIT KLAZES KRAMER

Gerrit Klazes Kramer

Gerrit Klazes Kramer werd gedoopt te Bolsward op 20 september 1801. Zijn vader was Klaas Yps, die in 1774 in Bolsward werd geboren en op 21 mei 1797 trouwde met Geertruida Nieuwenhuis, geboren in 1773 te Harlingen. Klaas Yps was koopman te Bolsward en nam in 1811, toen ieder op bevel van Napoleon verplicht een achternaam moest kiezen, officieel de naam Kramer aan. Deze naam bestond al langer in de familie.

KOOPLIEDEN
De naam Kramer zou met het beroep verband houden.
We kunnen deze wortel nog verder volgen. De vader van Klaas Yps was Yp Klazes, geboren in 1750 in Bolsward en getrouwd met PietjeWillems. De vader van Yp Klazes was weer Cleis (Klaas) Hilkes, ± 1705 te Bolsward geboren. Cleis was getrouwd met Sjoukje Yps te Bolsward. Deze laatste, ons bekende, Kramer bezat volgens de belastingboeken uit zijn tijd practisch niets. In de quotisatiekohieren van 1749 te Workum wordt hij aangeduid als ‘kleivoeder’ (schrijffout?), d.i iemand die met een boot klei vervoert. Hij is ‘bezwaart’ met een groot gezin: 5 personen boven 12 jaar en 5 personen beneden 12 jaar. Hij wordt slechts aangeslagen voor 11 caroliguldens en 13 stuivers, hetgeen het bedrag uitmaakt voor 2 personen.

Gerrit Klazes had tenminste nog twee broers en een zus. Yp Klazes was een oudere broer geboren in 1799, gehuwd met Ynske de Boer uit Bolsward, eveneens uit 1799. Deze Yp Klazes wordt ook aangeduid als koopman, evenwel tevens als beddemaker en winkelman. Er wordt vermeld dat zijn vader, Gerrit Klazes in 1828 van hem Holland Zate in Bolsward kocht. Het geslacht Kramer, aanvankelijk minvermogend, genoot blijkbaar voorspoed. Met ’t genoemde Holland Zate moet, naar ik aanneem, Hollanderzet bedoeld zijn, ’n boerderij die later in het bezit kwam van mijn betovergrootvader Ysbrand Klazes Galema, geboren in 1789.

We wisten dat Yp Klazes negen kinderen had, van wie drie jongens. Van deze broer van onze voorvader Gerrit Klazes weten we intussen, dankzij Durk van der Zweep, ook iets over zíjn nakomelingen tot in onze tijd, tot in de vierde generatie: Maria Dirks Kramer, geboren in 1925 en getrouwd met Jan Reins Witteveen, schrijver van een geromantiseerd verhaal over zijn oude familie in Friesland.
Dan is er naast Yp Klazes nog een jongere broer van Gerrit Klazes: Sieuwke Klazes, geboren in 1808. Hij trouwde met Trijntje Arjens de Graaf uit Bolsward en zij hadden één kind, ’n zoon. Volgens een acte van notaris Idse Verwer werden in 1867 door Sieuwke en zijn vrouw drie huizingen en een schuur en stalling aan het Schilwijk in Bolsward openbaar verkocht. Dit duidt ook op ondervonden voorspoed maar misschien ook weer op latere tegenspoed.

Tenslotte kennen wij nog een zuster van Gerrit Klazes: Nienke (Katharina), geboren in 1812. Zij trouwde met Bouwe Jakobs van den Oever, uit de bekende familie Van den Oever te Bolsward. Zij hadden een porceleinwinkel op de Tuinen in Leeuwarden maar verhuisden in 1842 naar Antwerpen Het moet een kustzinnig paar zijn geweest. Zij openden in Antwerpen een schilderijenzaak. Zij hadden een zoon Jakob: “Oom Jacques”, zoals M. van den Oever uit Hilversum, aan wie ik deze gegevens ontleen, zich herinnert. Twee zoons van Oom Jacques verwierven bekendheid. Karel van den Oever als letterkundige. In 1985 werd zijn werk opnieuw uitgegeven bij de Kempische Boekhandel te Retie in Belgie: Verzameld Werk door Dr.Frans Verachtert (twee dikke delen, te samen 1200 bladzijden). Als ‘verbannen en landloze Vlaming’ zoals hij zichzelf noemt kunnen wij daarin een beschrijving van hem lezen van Het Friese Landschap. Zijn broer Constans van den Oever werd bekend als kunstschilder. Gerrit Klazes noteerde op 7 september 1856 dat hij een brief van Niene uit Antwerpen ontvangt.

Op 19 october noteert hij: “Mijn broeder te thee drinken. Andere verwijzingen van Gerrit Klazes naar zijn broers of zuster ken ik niet. In zijn Dagboek van 1856 schrijft Gerrit Klazes: “aan broeder Antonius vijftig cents”. Ik veronderstelde dat hier sprake was van een bedelbroeder van het klooster van de Franciscanen te Bolsward maar Durk van der Zweep wees mij er op, dat op 28 october 1806 een broertje van Gerrit Klazes bij zijn doop de naam Antonius ontving. Zou het om hem zijn gegaan? Wie zal het zeggen!? Uit dit alles blijkt, dat Gerrit Klazes Kramer deel uitmaakte van een uitgebreide en goed bekende familie, stevig geworteld in Bolsward en thuis in de wereld van kooplieden. De levensloop van Gerrit Klazes zelf, die ik nu poog te beschrijven, is vrij goed gedocumenteerd.

HUWELIJK MET ELISABETH FRANS ROMKES
Op 21 mei 1826 trouwde Gerrit Klazes met Elisabeth Frans Romkes. Gerrit was toen, geboren op 20 september 1801, 24 jaar en nog minderjarig maar werd door het huwelijk meerderjarig. Elisabeth was volgens de doopacte, die “geannexeerd” was aan de huwelijksacte, 25 jaar en dus meerderjarig. Beiden waren zonder beroep. In een volgende acte naar aanleiding van het overlijden van zijn schoonvader Frans Romkes (1833) werd Gerrit koopman genoemd. Het staat wel vast dat het huwelijk met Elisabeth Romkes zijn status ten goede gekomen is. Zijn status zal in de loop van de jaren alleen maar toenemen.

Elisabeth was de dochter van Frans Romkes, die werd geboren op 5 september 1770 te Bolsward, en van Johanna van der Velde, gedoopt te Bolsward op 2 april 1766. De ene keer wordt in actes de geboortedatum, de andere keer de doopdatum vermeld. Het maakt echter niet zo heel veel uit, omdat men in die tijd volgens de regels van de Kerk zijn kind zo spoedig mogelijk na de geboorte liet dopen. De burgerlijke stand erkende een opgave uit het register van gedoopten van de verschillende kerken als een geboortebewijs. De geboortelepel van Frans Romkes is bewaard, deze was in het bezit van Mieke van der Werf, achterkleindochter.

Frans Romkes was ten tijde van de huwelijkssluiting van Elisabeth, zijn oudste dochter, gemeenteraadslid van Bolsward. Later werd hij wethouder Hij was een belangrijk en bemiddeld koopman. Dat was zijn vader Romke Fransen waarschijnlijk ook. De oudste acte in het ijzeren kistje betreft een huurcontract, dat Romke Fransen op 17 juni 1797 afsloot als eigenaar van de helft van het Waltaslot te Tjerkwerd, dat sinds enkele jaren zijn staat van “heerlijckheid” had verloren en uitsluitend nog boerderij was, groot 98 pondematen (ongeveer 33 ha). Men kan over de betekenis, die het Waltaslot in het verleden bezat, lezen in het boek van Tjerkwerd (Tsjerkwert en har bewenners yn de rin fan de tiid; Printe by van der Eems & Sn, Easterein – 1987). Mijn schrijfwijze van Romke Fran sen is geen vergissing. Zo wordt de naam geschreven in bedoelde acte. De ondertekening luidt: R.Fransen.

KINDEREN VAN GERRIT KLAZES KRAMER EN ELISABETH ROMKES
We mogen veronderstellen dat het jonge paar een gezin wilde stichten en uitzag naar een kind. Daar hebben zij drie en half jaar op moeten wachten en dat zal ongetwijfeld een teleurstelling zijn geweest. Eindelijk wordt er op 9 november 1829 een dochtertje geboren dat de namen kreeg van Elisabeths moeder Johanna van der Velde en Gerrits moeder Geertruida Nieuwenhuis: Johanna Geertruida. Enige jaren daarna kondigde zich weer gezinsuitbreiding aan. Op 17 mei 1833 werd Geertruida Petronella geboren maar het het kindje overleed reeds ruim een half jaar later op 15 februari 1834.

Ruim anderhalf jaar later werd op 6 november 1835 een tweeling geboren; het meisje werd weer Geertruida Petronella genoemd en de jongen Frans Gerrits. De verwachtingen zullen ongetwijfeld groot zijn geweest maar de gebeurtenissen verlopen helaas rampzalig: 14 dagen later op 20 november overleed moeder Elisabeth, en twee dagen later op22 november overleed het meisje van de tweeling, Geertruida. Gerrit bleef achter met een dochtertje Johanna van zes jaar en een zoontje Frans van een paar weken, de toekomstige stamvader van de familie Kramer van Kubaard.

Gerrit bleef zitten met een grote winkel. Ik vertel hier nu eerst uitvoerig over en ook over de materiële omstandigheden waarin Gerrit Klazes verkeerde. Deze waren zeker niet slecht maar wat moest hij ermee.

WINKEL IN BOLSWARD
Gerrit dreef een grote winkel, voornamelijk in manufacturen. Misschien was de winkel wel van Elisabeth, Gerrits vrouw. Het is goed mogelijk dat Elisabeth het koopmansbloed van haar vader Frans Romkes had geërfd. Omdat zij aanvankelijk kinderloos bleef, kan dit voor haar een reden zijn geweest een winkel te beginnen. Na haar overlijden stopte Gerrit er mee.

Toen Gerrit en Elisabeth in 1826 trouwden was Frans Romkes al weduwnaar. Zijn vrouw Johanna van der Velde overleed reeds 24 februari 1824, 57 jaar oud. Frans overleed op 16 juni 1833, 66 jaar. Het bleek toen, dat hij vanaf 1 januari tot 16 juni zijn traktement van wethouder ad f. 100,– te goed had. Hieruit concludeer ik, dat hij midden in zijn werkzaam leven is overleden.

Uit de officiële stukken, die op ieders overlijden volgen en waarachter iemands overlijden voor de buitenwereld vaak verborgen blijft, blijkt voor ons hoe de werkelijkheid er toen uit zag. Het is uit deze stukken dat ik weet, waar Gerrit Klazes en Elisabeth woonden. Zij woonden in “eene Huizing met erve aan de Rijkstraat binnen Bolsward”. Dit huis was eigendom van Frans Romkes, Gerrit huurde het, blijkt uit de stukken van zijn schoonvader. Korte tijd later werd het door vererving zijn eigendom. In 1859 verkocht hij het.

Bolsward: Rijkstraat 4

 

Het was volgens gegevens van het kadaster het pand, dat nu Rijkstraat nr.4 is, tot voor kort de kapsalon van Arie Buikstra en het is nu een computerwinkel.

Het blijkt dat het vermogen van Frans Romkes, toen hij in 1833 overleed, uit ruim een ton bestond. Niet weinig voor die tijd. Dit bezit bestond maar net voor de helft uit vastigheden en bijna voor de helft uit roerend goed: schuldvorderingen, publieke effecten, een behoorlijke inventaris, goud en zilver voor bijna f. 900,–, en aan contanten meer dan f.6000,–, waaronder 3805 gouden tientjes en – vijfjes, en ook zeeuwsche rijksdaalders en dukaten. Het aantal vastigheden bedroeg twaalf. Het risico was blijkbaar gespreid want alle vastigheden behoorden hem slechts gedeeltelijk toe. Zo bijvoorbeeld het Waltaslot te Tjerkwerd slechts voor de helft, welk deel geërfd werd door Maria Rinkes, de dochter van Frans Romkes toen reeds overleden dochter Ybeltje.

De Zathe en Landen te Kubaard, waar wij bijzonder in zijn geïnteresseerd, behoorde hem voor drievierde toe, welk gedeelte voor de helft geërfd werd door zijn dochter Elisabeth en voor de andere helft door zijn dochter Johanna.

Frans Romkes, zo blijkt uit de inventarisatie van zijn nalatenschap, heeft zelf gewoond aan de Kaazenmarkt te Bolsward. Dit is het zelfde als de Koemarkt of de Nieuwmarkt. Hij woonde daar in een huizing met tuin, die was gelegen vlak bij de plaats en misschien wel precies op de plaats, waar nu Herman van der Meer woont: Nieuwmarkt 31. Het huis werd geërfd door zijn dochter Johanna, die het een jaar later verkocht.

Op Longerhouw, niet ver van Bolsward -Gerrit had in die richting 10 bunder weidegronden- woonde Pietje Fongers Huitema, sinds 1828 weduwe van Dirk Sibles van der Werf. Zij hadden vier kinderen: Trijntje 12 jaar, Jantje 11 jaar, Antje 9 jaar en Dirk 6 jaar. Het is niet bekend wie het contact gelegd heeft. Dat kan bijna iedereen geweest zijn in de besloten katholieke gemeenschap rond Bolsward, waarbinnen vele verwantschappen bestonden. Gerrit kende Pietje hoogst waarschijnlijk. Ik kan geen bloed- of aanverwantschap tussen de Kramers en de Van der Werfen vinden; sindsdien zijn er vele aan te tonen. In april van het volgende jaar trouwden Gerrit en Pietje.
Ik ontleen verschillende gegevens omtrent Pietje Fongers Huitema en haar familie aan de kroniek van Johannes (Hans) Huitema te Nieuwegein: ” Fonger Huites Huitema, voorgeslacht en nakomelingen tussen 1695 en 1993, op en rond Oldeclooster, 1993.”

HUWELIJK MET PIETJE FONGERS HUITEMA
De twee gezinnetjes voegden zich spoedig samen in Longerhouw. Pietje was slechts ruim een jaar ouder dan Gerrit. Zij was geboren in Burgwerd als tweede van de tien kinderen van Fonger Huites (Huitema) en Jantje Johannes (Bouma); zij werd gedoopt te Bolsward op 15 mei 1800.

Pietjes eerste echtgenoot was Dirk Sibles van der Werf, zoon van Sible Sjoerds van der Werf en Trijntje Durks Tolsma. Als weduwe had Pietje kunnen blijven wonen op de boerderij van haar schoonouders te Longerhouw. Deze boerderij had haar man Dirk tijdens zijn leven van zijn ouders in huur. In 1832 werd de nalatenschap van haar schoonouders verdeeld en Pietje verkreeg toen voor haar vier kinderen uit deze nalatenschap voor een derde deel deze boerderij. Toen Pietje eenmaal in gemeenschap getrouwd was met Gerrit, verworven zij samen door koop van de aandelen van een broer en een zus van wijlen Dirk spoedig bijna de gehele boerderij. Toen woonden en boerden zij op eigen grond. Wij kunnen ons voorstellen dat na regeling van deze materiële zorgen het leven binnen het gezin nieuwe hoop gaf. Het kan niet anders of de kleine Frans werd door de drie meisjes van Pietje vertroeteld. En hierop volgde het goede nieuws: op 1 december 1836 werd een dochtertje geboren als kind van Gerrit en Pietje, het werd Geertruida gedoopt. Zo werd het verlies van Frans tweelingzusje Geertruida, en nog een eerder zusje, ook Geertruida geheten, verlicht: zij werd Trui genóémd.

Intussen had vader Gerrit nog de nalatenschap van zijn in 1835 overleden echtgenoot Elisabeth Romkes moeten regelen. Ik kom daar op terug, voorzover het nodig is om de ontwikkelingen in de toekomst te kunnen blijven volgen. Bij Elisabeths overlijden bleek zij een voor die tijd zeer grote winkel achter te laten. De beschrijving van het aantal manufacturen beslaat tien bladzijden. Men is er twee volle dagen mee bezig geweest, de eerste dag tot tien uur s’ avonds.
Gerrit moest allereerst de vastigheden beschrijven, die van de gemeenschap waren geweest, van Elisabeth en hem samen. Deze omvatten een stalling en wagenhuis aan de Koemarkt binnen Bolsward en ongeveer 10 bunder greidland aan de Marneweg onder Bolsward. De Marneweg loopt ten westen van Bolsward richting Longerhouw. Deze bezittingen waren allemaal staande het eerste huwelijk verworven tussen 1831 en 1832 en kwamen na het overlijden van Elisabeth toe aan Gerrit en zijn toen levende kinderen.
Daarnaast waren er niet onbelangrijke vastigheden, die Elisabeth had geerfd van haar ouders en die op het moment van haar overlijden aan de drie kinderen Johanna, Geertruida en Frans toekwamen, terwijl Gerrit het beheer er over voerde. Het betrof de helft van de Zathe en Landen te Kubaard, in die tijd steeds aangeduid met “Jornastate”, de helft van twee Zathen en Landen onder Parrega en vervolgens de reeds genoemde woning in de Rijkstraat te Bolsward.

LANDBOUWER TE LONGERHOUW
Door zijn huwelijk met Pietje Fongers is Gerrit landbouwer geworden in Longerhouw ten westen van Bolsward. Tijdens zijn eerste huwelijk is Gerrit al een beetje boer geworden, hetgeen volgens mij blijkt uit de aankoop van een aantal greidlanden. Nu is hij op de eerste plaats landbouwer. Ik heb het vermoeden dat de handel op de tweede plaats geraakt en dat Gerrit goed boert.

“ten zuiden en ten westen is de kerk van Longerhouw gelegen”

De boerderij te Longerhouw, toenertijd nr. 7, werd omschreven als gelegen naast de kerk: “ten zuiden en ten westen is de kerk van Longerhouw gelegen”. De landerijen van Gerrit aan de Marneweg lagen daar vlakbij. Deze landerijen zijn later van Longerhouw gescheiden door de grote weg naar de Afsluitdijk.

Jaren later, in 1849, maakte Gerrit een nieuwe staat van vastigheden op. Dat moest ook wel want er was intussen weer veel gebeurd. Frans Romkes had uitsluitend dochters. Zij waren: Johanna, de oudste, gehuwd met Douwe Willem Hoekstra, koopman te Leeuwarden. Zij hadden één zoon Willem. De tweede dochter was Elisabeth, de eerste vrouw van Gerrit. De derde dochter was Geertje, vrouw van Dirk Tolsma met één dochter Hiske, en tenslotte de vierde dochter Ybeltje, vrouw van Petrus-Joseph Rinkes met één dochter Maria (Marijke).

Dit waren geen grote gezinnen en het is misschien hierdoor dat, zoals uit brieven en uit Gerrits dagboek blijkt, er zoveel contact tussen de families van de zussen was. Bovendien waren reeds, voordat Frans Romkes in 1833 overleed, zijn dochter Geertje en haar man, en tevens zijn dochter Ybeltje overleden. Op 15 december 1839 is ook Geertjes enige dochter Hiske nog overleden, op 22 jarige leeftijd Zij was als wees erfgename. Haar nalatenschap werd verdeeld over haar ‘ooms en moeis’, zoals geschreven staat in de memorie voor de successie van 9 maart 1840. Uit de verschillende actes blijkt dat Gerrit veel moest regelen.

Het gevolg van deze vele vroegtijdige sterfgevallen, waarop in 1848 nog zou volgen het vroegtijdige overlijden van de enige zoon Willem van Johanna Romkes (Frans Romkes oudste dochter), is geweest dat de boerderij van Kubaard, die voor de helft aan dochter Elisabeth Romkes en voor de andere helft aan dochter Johanna Romkes werd nagelaten uiteindelijk in haar geheel terecht kwam bij Frans Kramer (moeder: Elisabeth Romkes).
Frans Kramer komt als onze stamvader nog uitvoerig ter sprake. Hoe verging het zijn enige nicht van moeders kant: Marijke Rinkes (moeder: Ybeltje Romkes)? Haar geschiedenis is het vermelden waard. Marijke Rinkes huwde met Johannes Gerardus Heuveldop. Diens vader heette ook Johannes Gerardus, koopman te Leeuwarden, afkomstig uit Emsdetten (Dld), en getrouwd met een dochter van genees- heel- en vroedmeester Jan Koelman te Workum, Margaretha. Marijke overleed reeds op 35 jarige leeftijd op 19 november 1853. Johannes Heuveldop, haar man, vertrok toen naar Nederlands Oost-Indië. Zijn drie kinderen werden grootgebracht bij hun moeders tante Johanna: Johanna Hoekstra Romkes. Johanna’s enige zoon Willem, de schrijver van de brieven uit de jaren 1846 – 1848 vanuit Elten, was toen reeds overleden. Haar man Douwe Willem Hoekstra zou enige jaren na 1853, het jaar van Marijkes dood, overlijden op 3 februari 1856.
Johanna Romkes liet na overlijden van haar enige zoon Willem op 16 jarige leeftijd in 1848 en van haar man in 1856, háár erfdeel bij testament na aan Frans Kramer, die hierdoor bevoordeeld werd ten koste van de kinderen van zijn nicht Marijke. Johanna heeft op 9 juli 1868 na herroeping van alle vroegere uiterste wilsbeschikkingen zeer overwogen haar testament gemaakt. Zij overleed op 16 0ctober 1877. Frans Kramer woonde toen al sinds 1859 op Kubaard en zal met zijn grote gezin heel blij zijn geweest met deze erfenis, de helft van een boerderij.

De brieven die bewaard zijn gebleven herinneren aan talrijke noodlottige situaties. Het leven op Longerhouw met zeven kinderen ging intussen door. Op 18 mei 1844 trouwde Pietjes oudste dochter Trijntje met Marten Fokkes Galema. Dat was een heuglijk feit maar dan moet men kort daarna weer een groot verlies verwerken. We weten uit de brieven van Willem, dat hij veel om zijn nichtje Johanna van “Oom Kramer”, oudere zus van Frans, gaf. Terwijl hij in Elten op internaat is, verblijft zijn nichtje op een internaat in Oudenbosch. Het is dan 1846, en dus naar de maat van die tijd heel ver weg. Op 21 april 1846 schrijft hij aan zijn ouders: “Het speet mij van U te vernemen, dat mijne nicht Johanna uit Oudenbosch, alweer niet goed in orde was” Blijkbaar was Johanna een ziekelijk meisje. Op het einde van zijn brief schrijft Willem: “Ik verzoek U, Waarde Ouders, de Complimenten te doen aan Oom Kramer. De ongesteldheid van Zedes (= Zijnedeles) Dochter gaat mij zeer ter harte, en ik wensch, dat zich weldra alles ten besten moge schikken”. Willem was een heel jaar lang van huis en het is bijna zeker dat zijn ouders hem de waarheid niet durfden schrijven: op 2 maart 1846 was Johanna al overleden; Willems brief is van 21 april. Wij kunnen het onszelf bijna niet voorstellen. Zoveel sterfgevallen binnen zo’n korte tijd en zoveel dierbare jonge mensen. Het was een volkomen andere tijd! Twee jaar later overlijdt Willem, 16 jaar oud. Uit zijn brieven blijkt, dat hij graag op het internaat in Elten was, ofschoon hij ook soms heimwee heeft. In 18y47 schrijft hij enkele malen over een ziekte aan een klier in de hals, waardoor hij moeilijk zijn arm kan bewegen. Hij kreeg er zalf voor.

Het verdriet was natuurlijk niet minder maar men moest verder leven. Twee maanden later, op 16 mei 1846 trouwde Pietjes dochter Antje met Gerben Lieuwes Ketelaar uit Workum. Twee jaar later op 6 mei 1848 trouwde Pietjes dochter Jantje met Rintje Lieuwes Ketelaar uit Workum Nu zijn nog thuis: Dirk van Pietje, 19 jaar, Frans van Gerrit, 12 jaar en Trui van Gerrit en Pietje, 11 jaar.

Uit de maand mei 1847 dateert een bijzonder bericht. Willem Hoekstra, wiens overlijden kort na 1848 ik zo juist vermeldde, schreef in mei 1847 nog vanuit Elten naar huis: “J’étais bien aise, lorsque mon Oncle Kramer venait ici pour me rendre visite lorsqu’il conduisait Francois au pensionat à Duiven. Je ne le connaissait plus, j’étais faché, qu’il devrait partir si vite.” Zonder dit bericht zouden wij nooit geweten hebben dat Frans, die onze stamvader werd, nog geen 12 jaar oud, in Duiven op pensionaat is geweest. Het maakt mij benieuwd wat dat voor een pensionaat was. En Willem, hij kende zoals hij schrijft zijn oom niet meer. Het volgende jaar 1849 brengt weer verdriet: Trijntje, de oudste dochter van Pietje komt te overlijden en dan kort daarna Antjes (jongste zus van Trijntje) man Gerben Lieuwes Ketelaar. Er is bijna geen tijd meer om daar lang bij stil te staan.

Twee jaar later in 1852 verhuizen Gerrit en Pietje met de kinderen Frans en Trui van Longerhouw naar Bolsward.
De kinderen zijn dan 15 en 16 jaar. Het besluit is zeker goed overwogen. Dirk, zoon van Pietje, kon zo op de boerderij komen en trouwen.

 

Antje van der Werf

 

Sjoerd Baukes van der Meer

Misschien is Antje, die alleen was komen te staan, meegegaan naar Bolsward. Later zal Antje te Molkwerum hertrouwen met Sjoerd Baukes van der Meer. Marten Galema, weduwnaar van Trijntje hertrouwt met Veronica Schaap.
Op 14 december 1856 vermeldt Gerrit Klazes in zijn dagboek dat hun een zoon Fokke geboren is. Het is de enige geboorte die hij vermeldt, terwijl zijn dagboek vol staat met nieuws met betrekking tot de “famielje”.

Naar LONJÉ
Waarheen zijn Gerrit Klazes en Pietje met Frans en Trui in 1852 verhuisd? Het staat nergens precies omschreven, althans ik heb niets kunnen vinden. Uit de omschrijving van vastigheden van 1849 blijkt dat tot de gemeenschap van Gerrit en Pietje een Huizinge aan het Grootzand in Bolsward behoorde. Het huis aan de Rijkstraat nr. 4, waar Gerrit samen met zijn eerste vrouw Elisabeth Romkes woonde, behoorde, komende uit háár nalatenschap, aan de kinderen maar Gerrit had er het beheer over. Het lijkt er op dat hij maar behoefde te kiezen. Maar er zijn denk ik andere overwegingen die een rol spelen.

Het staat vast dat Gerrit Klazes in 1855 de Grote Klaver volledig in bezit had. Gerrit had van zichzelf al bijna 10 bunder aan de Marneweg. Ik heb daar reeds op gewezen. Staande het huwelijk koopt hij in de jaren 1842, 1852 en 1855 nog gedeelten van de Grote Klaver bij voor de gemeenschap die er bestaat tussen hem en Pietje. In de jaren 1838, 1839 en 1844 had hij de boerderij te Longerhouw reeds voor het grootste deel voor de gemeenschap tussen hem en Pietje gekocht. Hij zal dat wel gedaan hebben om alles wat gemakkelijker te maken. De stalling en het wagenhuis aan de Koemarkt verkocht hij kort na 1849. Het huis aan het Grootzand ben ik nergens meer tegengekomen. Terwijl alle andere genoemde trans acties berusten op bekende verkoopacten of op gegevens van het kadaster moet ik betreffende het huis aan het Grootzand gissen: ik vermoed dat hij dit ook heeft verkocht. Het geld voor de aankopen, die hij in de jaren daarvoor had gedaan moest natuurlijk ergens vandaan komen. Het huis in de Rijkstraat verkocht hij pas in 1859; deze verkoop kan in een groter plan gepast hebben. Waar het mij omgaat, is dit dat Gerrit Klazes toen hij van Longerhouw naar Bolsward verhuisde niet zo maar kon kiezen waarheen.

Ik acht het niet onwaarschijnlijk dat dat hij naar Lonjé ging. Lonjé behoort in het westen tot de buitenbuurt van Bolsward. Het dagboek van Gerrit bevat vele gegevens, die in deze richting wijzen. Het begint met de opmerking betreffende betalingen van maalgelden voor de Lonjeester polder aan Folkert Hettinga. Folkert Reins Hettinga was boer te Tjalhuizum maar had weidegronden in de Lonjeester polder. Zijn vader was Rein Klazes Hettinga; een broer van hem was Klaas Reins. Zij worden door Gerrit Klazes met naam genoemd.

Verder blijkt dat Gerrit nog een kleine veestapel, enkele koeien, een paard, en een paar schapen en hennen hield. Deze heeft hij in de stad niet kunnen houden. En vooral: regelmatig ging Pietje naar de stad én ook naar Longerhouw, waar haar zoon Dirk toen boerde, én naar Frans, haar stiefzoon op de Grote Klaver, die daar vermoedelijk reeds voor zijn huwelijk in 1856 woonde. Dat heeft zij vast en zeker meestal te voet gedaan, en dat kon nog net vanuit Lonjé, dat overal precies tussen in lag, maar niet vanuit Bolsward zelf. Tenslotte was er tussen Gerrit en zijn zoon Frans bijna dagelijks contact, zij deden van alles samen.

De Lonjeester polder

 

De twee boerderijen te Lonjé

 

Op Lonjé staan twee boerderijen. Op de linker boerderij wonen nu nakomelingen van Folkert Reins Hettinga, aan wie Gerrit Klazes in 1856 maalgelden betaalde.

HET DAGBOEK
Het Dagboek betreft het jaar 1856, waarin Gerrit Klazes nog op de boerderij van Lonjé woonde. Het heeft mij voortdurend geïnspireerd bij de interpretatie van de vele verschillende situaties die ik tegenkwam. Vooral de sterke familieband komt daarin naar voren. Dat is geen wonder na alles wat Gerrit en Pietje meemaakten. Je komt in dit dagboek levende mensen tegen, die dit alles wat ik heb beschreven samen hebben moeten verwerken.

Iedere dag heeft Gerrit Klazes iets opgeschreven. Dat is op zich al een grote prestatie en vraagt veel zelfdiscipline. Hij begint consequent iedere dag met een beschrijving van het weer. Dat is voor een boer natuurlijk belangrijk Vervolgens schrijft hij over allerlei dingen die voor hem blijkbaar van belang waren. En die dingen willen wij weten, daar gaat het om in een kroniek. Hij schrijft, geciteerd in de volgorde die naar het mij voorkomt ook voor hem gold, over: de bezoeken bij hen thuis en de bezoeken die zijn vrouw en kinderen buitenshuis aflegden. Het betreft bijna allemaal familie-bezoeken en dat zijn er veel, meer dan honderd. Etentjes worden nauwkeurig genoteerd. Het zijn meestal de kinderen die komen eten. Het is duidelijk: de “famielje”, zoals hij steeds schrijft, is alles.

Hij legt zelf een klein aantal zakelijke bezoeken af. Daar schrijft hij bescheiden over. Vaak noemt hij Hendrik Mebius Brandsma en dat ligt voor de hand want zijn dochter Trui zal in mei van dat jaar met Hendriks zoon Mebius trouwen en zijn zoon Frans met Hendriks dochter Siebrigje. Het lijkt er soms op dat hij in een zeker opzicht tegen Hendrik Brandsma opziet. Hij schrijft soms vormelijk over “H.Brandsma”, terwijl hij Ysbrand Galema, die hij bijna even vaak noteert, meestal gewoon Ysbrand noemt. Hij kan zich met Ysbrand gemakkelijker vergelijken: Ysbrand is behalve boer ook een koopman en dat is Gerrit waarschijnlijk toch ook altijd wel een beetje gebleven. Hendrik Mebius Brandsma is meer een bestuurder. Hendrik Mebius Brandsma behoort tot de andere wortel van onze stam. En dat is interessant.

Vervolgens schrijft Gerrit over zaken die met het boerenbedrijf te maken hebben en over zaken die een koopman betreffen. Dat laatste lijkt hij voor een deel te doen als liefhebberij. Het gaat over koeien die duinsch zijn, over rieren die moeten kalveren, over vaarzen die de wei in moeten, over hooien, zwelen en dollen. Het gaat over prijzen, taxaties, boeldagen, verhuringen, verhuizingen. Vele malen wordt notaris Kuiper genoemd.

De gang naar de kerk komt ook vaak ter sprake. Het betreft niet de zondagse kerkgang, die naar ik aanneem gewoonte was. Het gaat over bijzondere gelegenheden: feestdagen, meditaties, predikaties, Portiuncula, Kruisweg, Allerzielen, een Lof. Overlijdingen worden genoteerd, deelname aan begrafenissen, het houden van jaarstonden. Overleden ouders worden niet vergeten. Met enige regelmaat komt er een pater of eerwaarde op bezoek. Pastoor Ignatius Heuveldop is een broer van Johannes Gerardus Heuveldop, die naar Nederlands Oost-Indië ging. Via de familie Romkes bestaat er verwantschap met de familie Heuveldop. Ofschoon Gerrit waarschijnlijk tot de parochie van St.Franciscus behoorde ging Gerrit regelmatig naar de kerk in de St.Martinusparochie waar Heuveldop pastoor was.

Vaak schrijft Gerrit over spelletjes en over wedstrijden en bezoek aan tentoonstellingen. Hij ging schutjassen in het Hof van Holland maar hij deed het ook thuis: de eerste bij het spel kreeg ‘prijs’, de tweede een ‘premie’. Harddraverijen, paardenmarkten, tentoonstellingen, markten, kermissen hoorden bij elkaar. En in de zomer hardzeildagen. Eenmaal ging Gerrit naar de schouwburg. Eenmaal kwam de courant niet, blijkbaar belangrijk genoeg om daar een notitie van te maken. Op 23 november gaat de famielje naar het Ceciliafeest.
Betalingen werden nauwkeurig genoteerd, er zijn zeker 75 notities over. Brooden werden voor de hele week gekocht, tien tegelijk en om de zoveel tijd afgerekend. De bakker behoorde tot de famielje.

Tienmaal voelt hij of zijn vrouw zich niet lekker. Eenmaal komt de doctor. Enkele malen worden emoties geuit: Onaangenaamheden gehad – Sjoerd (man van Antje) boos – mijn vrouw van huis – de vrouw tehuis gekomen – Margrieta (zus van Pietje) op de pret.
Op 10 mei, de trouwdag van zijn twee kinderen schrijft hij: “Trouwdag van de kinderen Britale wind – de wind N O – de hen op eijeren gezet om te broeijen” en op 12 mei, de dag waarschijnlijk van het kerkelijk huwelijk : “Trouwdag van de kinderen bezonder mooi weder de wind W vrolijke dag gehad “. Over het huwelijk van zijn zoon Frans met Siebrigje Brandsma en van zijn dochter Trui met Mebius Brandsma kom ik uitvoerig in hoofdstuk 3 te vertellen.

TERUG NAAR BOLSWARD
Op 5 november 1862 overlijdt Gerrit Klazes. Hij woont de laatste jaren waarschijnlijk met Pietje op de Dijlakker, en daar is hij weer terug in Bolsward Kerstmis 1856 schrijft hij in zijn dagboek “Het huis gekogt van Creemer voor f 2250.” Daags te voren: “het huis bezigtigd van Creemer.” En daags daarna: ” Siebrigje en Trui het nieuwe huis bezigtigd.” Ik vermoed dat dat het huis is waar hij zijn laatste jaren woont.

Ik leg uit waarom ik dat vermoed. Op 26 februari 1863 na Gerrits overlijden vindt er een scheiding plaats van de nalatenschap, die Gerrit en Pietje in gemeenschap bezaten. Zij bezaten de boerderij in Longerhouw, althans voor het grootste deel. Voor een klein gedeelte behoorde deze slechts aan de kinderen van Pietje of hun erven. Daarnaast bezaten zij de Grote Klaver. De verdeling vindt ongeveer als volgt plaats: Frans Kramer en Mebius Brandsma, als echtgenoot van Trui, krijgen ieder de helft van de Grote Klaver, en bovendien nog een “klein beetje” Longerhouw. Aan Pietje komt het grootste gedeelte van Longerhouw toe. De schulden zijn op dat moment niet gering: f 18000,- aan Ysbrand Galema, f 11800,– aan het Weeshuis te Bolsward, en f 6000,- aan Frans. Pietje neemt de ene helft van de schuld voor haar rekening, Frans en Mebius de andere helft. Door het tegoed dat Frans heeft is hij in staat de Grote Klaver voor zich alleen te verwerven.
Op 25 juni 1863 verklaren zij vervolgens nog in massaliteit te hebben behouden een Huizinge en erf aan de Dijlakker te Bolsward. Dat hebben zij blijkbaar niet willen verdelen. Dit is waarschijnlijk het huis, waarvan de kinderen willen dat Pietje het moet kunnen blijven bewonen en waar zij samen met Gerrit zijn laatste jaren deelde. Het is vermoedelijk het huis, dat hij op Kerstmis 1856 kocht.

En dan overlijdt Pietje op 26 november 1871. De verdeling van haar nalatenschap vindt plaats op 16 april 1873. We zagen zojuist dat Pietje in 1863 Longerhouw voor het grootste gedeelte in bezit had maar wij zagen ook dat zij tevens een behoorlijke schuld had. Nu, in 1873, blijkt dat Sjoerd Baukes van der Meer, echtgenoot van dochter Antje, Longerhouw voor het grootste gedeelte bezit. Hij heeft in de laatste jaren waarschijnlijk het grote aandeel van zijn schoonmoeder gekocht en bovendien ook het kleine deel dat aan de kinderen van Trijntje, haar oudste, vroeg overleden dochter behoorde. Het kleine gedeelte dat rest behoort nog tot de andere kinderen van Pietje: aan Jantje, aan Frans en Trui. Er moeten een paar kleine kaveltjes worden afgezonderd en aan hen toebedeeld. Daarmee is alles geregeld.
Wat bij al deze scheidingen opvalt is dat kinderen van drieërlei geboorte alle steeds weer meedelen, al is het in verschillende percentages. Er wordt dan gesproken over broeder van heele bedde en zuster van halve bedde of omgekeerd.

De éne wortel van onze stam ” Frans Kramer en Siebrigje Brandsma” heb ik beschreven: de Kramers vanaf 1750. Wie zo diep graaft krijgt de neiging even om zich heen te kijken, en ook vooruit te kijken, en misschien ook nog wel omhoog. Hoe is het met de vele vruchten, die van de takken zijn gevallen? Als het goed is, moet hetgeen ik heb beschreven ons niet zo vreemd in de oren klinken. Zowel naar aard als gedragingen valt er misschien iets te herkennen onder ons. Het is wel duidelijk dat de negen takken aanvankelijk reeds enigszins zijn bepaald. We zien in deze éne wortel al van der Meers, Galema’s, van der Werfen en Hettinga’s. En één ding is zeker: een Kramer komt uit Bolsward.

Ik vervolg met op zoek te gaan naar de andere wortel.

 

RELATIES MET DE FAMILIE HUITEMA
Deze relatie kwamen wij in dit hoofdstuk of deze pagina tegen. Ook elders komen we haar nog enige malen tegen. Deze familietak komt vooral voor op en rond Oldeclooster, met name op de boerderij Monnikehuis.

Fonger Huites Huitema 1762-1834 en Jantje Johannes Huitema 1775-1853 hadden tien kinderen. Vier van hen spelen in deze kroniek een belangrijke rol.

Zoon Huite Fongers had een dochter Pietje Huites die zal trouwen met Douwe van der Werf, de oprichter van ’t Houtstek in Bolsward wiens zoon Gerard die zal trouwen met Pietje van Frans Kramer en Siebrigje Brandsma.

Dochter Pietje Fongers , die op deze pagina ter sprake kwam, hertrouwde als weduwe van Dirk Sibles van der Werf met vier kinderen met Gerrit Klazes Kramer, weduwnaar van Elisabeth Frans Romkes met twee kinderen. Dirk Sibles van der Werf was een broer Sjoerd Sibles van der Werf die we op de pagina van Hendrik Mebius Brandsma zullen tegenkomen. Deze van der Werfen zijn uiteindelijk ook familie van Douwe van der Werf van ’t Houtstek. Dat gaat terug tot ca.1650.

Dochter Teatske Fongers trouwde met weduwnaar Sible Sjoerds van der Werf, die weduwnaar was van Cathrien Brandsma, dochter van Hendrik Mebius Brandsma uit zijn eerste huwelijk.

Dochter Klaaske Fongers , de jongste van de tien kinderen, trouwde met Jan Ysbrands Galema zoon van Ysbrand Galema enYtje Siemensma.

 


KRAMERKRONIEK 2005:
*U bevindt zich op ‘Gerrit Klazes Kramer’*
Gebruik, Inhoud, Voorwoord, Indeling en Overzicht.
Gerrit Klazes Kramer en Hendrik Mebius Brandsma
Frans Kramer en Siebrigje Brandsma
Betsie, Hendrik, Apollonia, Johanna, Gerrit, Dirk, Klaske, Mebius, Pietje.
Register.